Men kijkt me altijd een beetje meewarig aan als eeuwig single vrouw. Alsof het mij nooit gelukt is om “Kip, ik heb je!” te roepen tegen de eerst beste vent die me wel lekker leek. Maar niets is minder waar. Ik voel me er namelijk niet ongelukkiger door, of minder dan de rest. Integendeel, ik waan mezelf beslist een stukje slimmer. Slimmer dan dat.
Je moet weten, ik observeer heel graag.
Die observaties, plus wat vooringenomen stellingen, neem ik altijd mee als ik ooit in dubio kom in een potentiële relatie.
Die vooringenomen stellingen zijn dat ik geloof dat een verliefdheid hooguit 3 maanden duurt. Dat houden van er meestal niet voor in de plaats komt. Dat ikzelf en die ander altijd zullen acteren op egocentrische motieven, met andere woorden: “What’s in it for me?” En de rest.
Het huisje-boompje-beestje concept lijkt zo’n mooi ideaal te zijn, maar ik zie en hoor te veel en te vaak dat men (lees de heren onder ons) toch wel heel ‘stout’ zijn, waardoor het aanhangige principe van een langdurig huwelijk of relatie: ‘for better or worse’ weer in de knel komt.
Bovendien ben ik als pure atheïst van mening dat een relatie van oudsher werd gestimuleerd door een geloof of de Kerk, met het doel om meer zieltjes te winnen die dat feest allemaal in standhouden.
Observaties
Zo heb ik vandaag dan eindelijk weer eens een lunchafspraak met een vriendin die steeds opnieuw die gruwelijke ‘fouten’ van haar huidige partner vergeeft en altijd weer verdergaat op de oude voet. En daarmee de banden met haar eigen familie dusdanig verbreekt, dat ík er zelf de nodige pijn van ervaar. Maar ja, vaker niet dan wel is een partner niet de ultieme keuze van de familie. En dat zorgt voor enorme conflicten in een bestaan.
Laatst had ik een gesprek met een aankomend lifecoach voor wie ik een website mocht maken. Omdat ik graag de diepte inga en indringende vragen stel kwam ik erachter dat deze vrouw nog zoveel onverwerkte problemen (ze gaf haar ex maar al te graag dat label van een narcist) had dat ik haar persoonlijk geadviseerd heb om die eerst te verwerken. Voordat ze zich als ervaringsdeskundige een ‘coach’ mocht noemen.
Zo worstel ik mezelf vaker door gesprekken met vriendinnen. Je moet je eerst banen door een oerwoud van relationele problemen, eer ik arriveer bij mijn favoriete onderwerpen van zelfontplooiing en -ontwikkeling. Meestal komen we daar niet eens uit, want die relationele problemen genieten als vanzelfsprekend de 1ste prioriteit.
Shocking.
Stuitend.
Relativerend
Dan kom ik dus weer thuis, schud het relaas van die ander van me af, en waan mezelf absoluut gelukkig met mezelf als eeuwige single.
Natuurlijk, er zijn voor mij ook momenten dat ik het minder vind om mijn eigen ervaringen louter te delen met mijn hond en kat. Dan wil je wel een spreekbuis terug.
Maar zoals een vriendin met ooit bevestigde: het wil niet zeggen dat een partner (of je kids) het noodzakelijkerwijs altijd weer met je eens zijn.
Conclusie
Dus ja, ik ben nog steeds single. Forever single, als het aan de statistieken van mijn eigen leven ligt. En eerlijk gezegd begin ik het steeds meer als een vorm van luxe te beschouwen.
Ik hoef niemand te vergeven voor gedrag waar ik zelf al lang klaar mee zou zijn. Ik hoef geen familieconflicten te managen omdat iemand met wie ik ooit verliefd was ineens een andere persoonlijkheid blijkt te hebben. Ik hoef geen relatiecoach te worden in mijn eigen woonkamer en al helemaal geen relatietherapeut op de bank naast me.
Ik hoef alleen maar rekening te houden met mezelf. En vooruit, met een hond en een kat die daar overigens behoorlijk verschillende opvattingen over hebben.
Natuurlijk zou het soms best gezellig zijn om iemand naast me op de bank te hebben. Iemand die luistert naar mijn eindeloze observaties, mijn indringende vragen en mijn theorieën over het menselijk gedrag. Iemand die daar vervolgens niet van wegloopt, maar geïnteresseerd vraagt: “En wat denk jij dat daaronder zit?”
Maar ja. Dan moet je zo iemand natuurlijk eerst nog vinden.
En aangezien ik inmiddels weet wat er allemaal onder dat “daaronder” kan zitten, ben ik daar eerlijk gezegd nogal voorzichtig mee.
Dus mocht de liefde ooit nog bij mij aanbellen, dan mag ze gerust binnenkomen. Maar wel eerst even door de ballotagecommissie. Ik zit er klaar voor met een kop koffie, een gezonde dosis wantrouwen en een paar zeer indringende vragen.
Want Kip, ik heb je! roepen tegen de eerste de beste man die lekker lijkt, is natuurlijk één ding.
Hem daarna ook nog drie decennia verdragen, is een heel ander verhaal.
En laat ik nou net geen haast hebben.